Het niet hanteren van co-ouderschap als rechtsnorm heeft funeste consequenties voor de maatschappij maar vooral voor kinderen, de toekomstige burgers.

Co-ouderschap zou, in het geval van (echt)scheiding, in de toekomst, de rechtsnorm moeten zijn. Ons moderne tijdsperk voorziet in wettelijke gelijkheid tussen burgers en vooral in de uitvoering van deze wetten van gelijkheid.
Gelijkheid voor de wet en vooral in termen van de wet zelf? Iedereen is hier voor!

Echter, in het Nederlandse familierecht, evenals in een aantal andere landen bestaat deze gelijkheid niet meer! Niet meer doordat er meer tijd gegeven wordt aan de ene ouder (samen met het hoofdverblijf) ten koste van de andere ouder, en (nog kwalijker) doordat erop een kind geen gelijke opvoedingsinvloed door beide ouders wordt uitgeoefend.

In Nederland, kiest slechts 3% van de gescheiden ouders (van getrouwde of samenwonende ouders) zelf voor een gebalanceerde begeleiding en opvoeding van hun kind in de vorm van co-ouderschap.
In de overige gevallen, wordt gelijkheid meestal niet gerespecteerd door de rechter. De rechters leggen meestal de grootste invloed bij de ene ouder, namelijk een toewijzing van 6 van de 7 dagen ten koste van de andere ouder die 1 van de 7 dagen toegewezen krijgt. Soms is deze invloed minder uit balans en krijgt de ene ouder 5 dagen toegewezen en de ander 2 dagen.

Nog veel ernstiger is het geval waarin het kind de ouder met wie het kind het minst contact heeft, plotseling helemaal niet meer ziet.
Hoewel het meestal vanwege futiele, eenzijdige en niet bewezen redenen is, aangevoerd door de andere ouder, geven rechters en mensen van de Raad van de Kinderbescherming geen spoedkarakter aan de zaak en wanneer de rechter zijn uitspraak doet, is dit in de grote meerderheid van de gevallen om de toestand toe te laten.
Ook niet acceptabel in een rechtstaat, is het geval waarin een ouder (die zijn kind van de andere weg houdt), die de beslissing van de rechter (om de omgangsregeling te handhaven) niet respecteert, bijna nooit gestraft wordt door de rechter!  En meestal wordt dit soort beslissing niet gerespecteerd omdat men wel weet dat het ongestraft blijft!

Er wordt geschat dat ongeveer 40% van kinderen van gescheiden ouders met deze totale onevenwichtigheid te maken krijgen. Men zou dit totale onrechtwaardigheid moeten noemen omdat het onschuldige kind gestraft wordt door het ontnemen van één van de twee belangrijkste personen uit zijn leven. Een van de twee personen die hem het meest dierbaar is en die hij zo nodig heeft, zijn papa en zijn mama!

Bovendien wordt het kind op de tweede plaats ook, bijna altijd, geconditioneerd door de andere ouder (vaak geholpen door de nieuwe partner) zodat het kind gaat geloven dat de aan de zijlijn geplaatste ouder slecht is en dat hij of zij hem of haar moet verstoten. En het kind verstoot dus in ongeveer 90% van de gevallen zijn ouder wegens ongegronde en verkeerde redenen en ook wegens onbelangrijke en ridicule verwijten (verwijten dat rechters meestal ook gebruiken om hun vonnissen te onderbouwen).
En dit is voor het kind een toppunt van onrechtvaardigheid, slachtoffer van een grote psychische mishandeling die zij of hij moeilijk te boven kan komen ook later in haar of zijn leven.        

Prof. Gardner heeft deze mishandeling bestudeerd  en is erin geslaagd een methode te hebben gevonden die de kinderen in staat stelt dit te kunnen overwinnen. Die methode verloopt via de rechter en blijkt 100% juist te zijn geweest tijdens de 22 experimenten die in de V.S. plaats hebben gevonden. Volgens Gardner kan slechts 20 % van die kinderen er zelf van genezen (d.w.z. zonder de geschikte door Gardner geadviseerde ingreep van de rechter). De overige 80% is er de slachtoffers door geworden, voor de rest van hun leven.

De spontane herstellen (slechts 20% van de gevallen), dat wil zeggen dat het kind het contact hervat met de tot dan toe verstoten ouder, kunnen in het algemeen voorkomen:

  1. wanneer het kind als puber boven de 15 flink in opstand komt tegen de conditionerende ouder
  2. wanneer het kind gaat trouwen of een kind krijgt
  3. wanneer het kind zelf gaat scheiden
  4. wanneer het kind zijn eigen kind hem of haar in vergelijkbare omstandigheden verstoot.

Welnu hier, handelen de rechters en anderen van de Raad van de Kinderbescherming nagenoeg als belangrijke bouwelementen van het conditioneren want het geeft een positieve signaal aan de conditionerende ouders. Hoewel rechters meestal als commentaar van hun tegenstrijdige vonnissen toevoegen dat ze wensen dat ouders zelfstandig tot een oplossing kunnen komen, kunnen ouders tegen hun kinderen zeggen: “zie je, ik heb gelijk, de justitie is het met mij ééns want ze aanvaardt wat ik doe.”
   
Het is dus om al die  wanorde te vermijden voor de kinderen en voor de verstoten ouders (en de familie van die ouders) dat het urgent is dat co-ouderschap de basis van de wet en van haar toepassing door de rechters wordt.
Co-ouderschap als rechtsnorm is niet alleen belangrijk voor hun, maar ook voor de kinderen die hun beide ouders nog zien, ook voor de ouders die een omgangsregeling toegewezen hebben gekregen (en die daarvan nog kunnen genieten). Ook voor ouders die nog samenwonen en het leven van  hun kinderen delen is dit ook belangrijk!
Waarom?
Voor degene die een omgangsregeling toegewezen hebben gekregen, is dit meestal moeilijk om hun rol als echte opvoeder te vervullen want zij zitten te vaak klem en onder de macht en druk van de andere ouder in hun manier van opvoeden. De andere ouder wel weet dat hij of zij tot het uiterste kan gaan en bovendien ongestraft blijft. Hij of zij kan de ouder met omgangsregeling chanteren met als ultieme straf het stopzetten van de omgangsregeling. En het kind die dat weet of voelt, speelt ouders tegen elkaar uit. Het kind verliest op die manier de echte verrijkende invloed van die ene ouder. 

Wat de nog getrouwde of samenwonende ouders betreft, speelt dezelfde ongelijkheid op een min of meer subtiele manier zich af. Hoe meer de liefde vermindert, hoe meer een ouder (heel vaak) weet een stempel te drukken op die andere. Elke ouder weet of hij of zij, volgens de statistiek, de winnende of de verliezende ouder is. Hier zijn de kinderen ook nog de dupe van omdat ze min of meer subtiel aangemoedigd worden om de éne tegen de andere ouder te spelen en daardoor binnen minder duidelijke grenzen te kunnen opgroeien. Kinderen verliezen respect en raken uit balans.
Co-ouderschap na scheiding is dus niet alleen dé enige oplossing om het gevoel van gelijkheid tussen alle burgers te herstellen maar ook en vooral, de rechten, de balans en het welzijn van het kind, kortom het belang van het kind als prioriteit te beschouwen.

Verbeteringen van de wet in vier stappen: (op korte of minder korte termijn)

Stap4: (binnen 4 jaren)
Co-ouderschap als rechtsnorm

Stap1: (binnen 1/2 jaar)
Wachtend op deze ideale oplossing die tijd zou kunnen kosten, moeten we snel een zin  in de huidige wet afschaffen (artikel 377a.3.d.) omdat deze zin (toegevoegd via een amendement van de tweede kamer in 1998) is overbodig en wordt gebruikt om de geest van de huidige wet van ‘98 te omzeilen hoewel die wet juist werd geschreven om “het niet hebben van contact met één van de ouders” op termijn op te lossen. Deze problematiek duurt al 40 jaar, ten minste op die schaal (sinds het begin van de grote golf scheidingen).
De zin van de wet in kwestie is het volgende:

  1. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Stap 1 bis: (binnen 1 jaar)
Er is een andere mogelijkheid. De zin in kwestie kan geamendeerd worden om die te beperken en precies te definiëren zodat deze zin alleen in extreme gevallen gebruikt wordt. Dit vereist dan efficiëntie, snelheid en professionalisme van de rechtbanke.Dit verplicht de medewerking van de ouder die zijn kind niet meer wil delen. Anders werkt die ouder tot nu toe (bijna) nooit mee.
 
De restricties voor dit puntje d  (art.377a.3.d) zouden als volgt kunnen luiden:

Punt d is niet geldig:
- Als er minimaal twee gesprekken tussen de ouders in het bijzijn van een (forensische) mediator niet plaats hebben gevonden, behalve als dit te verwijten valt aan de uitgesloten ouder

- Als het kind een onafhankelijke psycholoog gekozen door de uitgesloten ouder niet heeft ontmoet behalve als dit te verwijten valt aan de uitgesloten ouder

- Als het kind een geschreven of audio of video document van de uitgesloten ouder niet heeft gelezen, gezien of gehoord in het bijzijn van dezelfde onafhankelijke psycholoog behalve als dit te verwijten valt aan de uitgesloten ouder

- Als het kind deze ouder in het bijzijn van de onafhankelijke psycholoog, iemand van de RvK en eventueel een tolk vier keer in de vier weken voorafgaande de zitting niet heeft ontmoet behalve als dit te verwijten valt aan de uitgesloten ouder

- Als de onafhankelijke psycholoog constateert dat het kind op zijn minst drie symptomen van de ouderverstoting syndroom toont

- Als het kind en zijn ouder al meer dan drie maanden elkaar niet hebben gezien behalve als de oorzak van de vertraging van de zitting of het niet mogelijk maken van de ontmoeting te verwijten valt aan de uitgesloten ouder

 Stap2: (binnen 1 jaar)
Het puntje c van dit artikel (art.377a. 3. c) is ook problematisch:
.     

De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken,

hier kan een twaalf jarige " ernstige bezwaren"  uiten tegen één van zijn ouders en in dat geval kan een rechter een omgangsregeling ontzeggen. Wat hier geamendeerd moet worden is:

Punt c is niet geldig als de volgende voorwaarden niet voldaan zijn:

- het kind moet minimal 4 keer in de 4 weken voor zijn verhoor door de rechter, met als laatste ontmoeting een gesprek één of twee uur voor het verhoor, de verstoten ouder kunnen ontmoeten en de eventuele knelpunten met die ouder kunnen bespreken  in het bijzijn van een onafhankelijke psycholoog, iemand van de R.v.K. (Raad van de Kinderbescherming) en als het nodig is een tolk zodat de ouder in de gewone taal tussen de twee, met het kind kan communiceren.
- ook zou de grond van de "ernstige bezwaren"  beter gedefinieerd moeten worden en alle bezwaren die bij het (P.A.S.) "Parental Alienation Syndrom" / ouderverstoting syndroom passen zouden niet bepalend moeten worden beschouwd.

Gelijkheid, rechtvaardigheid eist dat als de knelpunten thuis uitgebreid kunnen besproken worden, dan zou de andere ouder dit ook moeten kunnen  doen. Zelf zou de ouder een cadeau aan zijn kind moeten kunnen geven. Gelijkheid eist dat als de conditionerende ouder dit kan doen, dan zou de andere ouder (al in een nadelige situatie) dit ook moeten kunnen.
Dan kan enige balans gevonden worden voor een gezondere beslissing van het kind. Het kind heeft dan niet alleen de negatieve conditionering van de andere ouder gehoord.
Volgens psychologen, is een kind tussen 7 en 14 jaar het meest receptief voor conditionering. Daarom zijn de "ernstige bezwaren" van een kind van 12, 13 of 14 niet persé relevant als ze thuis eenzijdig geconditioneerd worden.
Zonder de 4 gespreken binnen de 4 weken van zijn verhoor, zou een kind van 12, 13, of 14 jaar geen bezwaar moeten kunnen uiten.
Daardoor zou dit de conditionerende ouder verplichten om mee te werken.

Stap 3: (binnen 4 jaren)
Uiteindelijk is het nodig de hele huidige wet te amenderen zodat de rechters verplicht moeten ingrijpen door het laten toetreden van de (in burger dan) politie als het moet om de uitgesloten ouder aan het lijdende kind terug te geven. De pijn van het kind is vaak onzichtbaar want deze is blijkbaar tegenstrijdig met de verstoting die hij of zij uit. De ouder wordt dan (geleidelijk als het nodig is) aan het kind terug gegeven (zie de Gardner oplossing voor meer details)
Negatieve consequenties voor de jeugd, maatschappij en economie als het kind de opvoedingsinvloed van één van de twee ouders verliest, zijn:
De statistiek is duidelijk!

Voor het kind:
De school prestaties zijn slechter
Jeugdcriminaliteit is hoger
Meer psychologische stoornissen
Meer zelfmoorden
Minder respect voor gezag

Voor volwassenen:
Meer depressies
Meer langdurig ziekteverzuim
Meer ongelukken
Meer zorgkosten
Minder efficiëntie of enthousiasme op het werkvloer
Meer zelfmoorden
Meer mensen in huizen van bewaring
Meer psychologische stoornissen
Meer risico’s voor moord op ex en kind
Minder respect voor gezag
Weinig vertrouwen in politici, rechters en politie

Kortom, het is urgent (binnen één jaar) om aanpassingen aan de huidige wet te doen én, binnen 4 jaar, co-ouderschap als rechtsnorm aan te nemen, voor de jeugd, voor de harmonie van stellen, voor alle ouders, voor hun families (grootouders etc.), voor het herstellen van het vertrouwen in de politiek en het gezag, voor de economie, voor de hele maatschappij! Het niet meer zien van een ouder moet heel snel, echt heel uitzonderlijk worden, heel marginaal, en co-ouderschap de rechtsnorm in de nabije toekomst.

Artikel 377a komt te luiden:

1.      Het kind heeft het recht op omgang met zijn ouders of met degene die een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Die niet met het gezag belaste ouder heeft recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.
2.      De rechter stelt op verzoek van de ouders of één van hen of degene die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
3.       De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

a.     omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b.     de ouder of degene die in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c.      het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d.     omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

4.      Tot kennisneming van dit artikel bedoelde verzoeken is de rechtbank bevoegd.

Indien evenwel een procedure inzake gezagstoewijzing bij de kantonrechter aanhangig is, kan een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling in verband daarmee aan de kantonrechter worden gedaan.